Woensdag 15 mei

Over de gracht langs het Stadhuis rijden Duitse overvalwagens, soldaten houden geweren gereed, naast de chauffeur een burger, met band om den arm, als gids.

Ik regel den aftocht van vluchtelingen uit naburige gemeenten. Leiders willen wachten op eten, doch ik stuur dit naar het Jaarbeursgebouw voor de soldaten, onder den indruk van den ellendigen staat, waarin in de vroege morgen militairen op het Stadhuis kwamen aanlopen.

De soldaten van de wacht waren geheel futloos. Ik heb ze verzameld en toegesproken en daarna geleide gegeven om ze te brengen naar de Hojelkazerne.

Tien uur, vergadering van Burgemeester en Wethouders, voor het eerst weder in eigen kamer. Ik zet uiteen, hoe ik de situatie zie en bespreek de te nemen maatregelen.

Met het gehele College ontvang ik daarna alle Directeuren. Spreek hen toe en geef aanwijzingen over de aan te nemen houding, zodra bezetting een feit zal worden, aan de hand van de officiële richtlijnen.

Laat in den morgen heb ik de vertegenwoordigers van de geestelijkheid uitgenodigd tot een samenkomst.

Door een vergissing is de Rabbijn Tal niet gekomen. Gelukkig is het mogelijk hem te bereiken en komt hij, na niet te lang wachten, in den kring.

Ik deel mede, welke moeilijkheden wij als bezette stad hebben te wachten, hoe wij als bestuurders ons onze taak voorstellen. Er worden veel vragen gesteld over de houding, welke moet worden aangenomen, bij niet allen is daarover een juist begrip.

Na afloop laat ik in mijn kamer zien het schilderij van Doedijns “de Overwinning van het Geloof over het Geweld”. Ook deze samenkomst is hartelijk, wij voelen ons één om samen te aanvaarden, wat ons zal wachten.

Doudijns – De Nederlandse Maagd die het Geloof beschermt en het Geweld overwint

Mej. Tellegen houdt een dergelijke samenkomst met de wijk- en vakleiders van de luchtbescherming, de Secretaris met de afdelingschefs, Wethouder Botterweg met het onderwijzend personeel.

Met het Vrouwelijk Vrijwilligers Corps bespreek ik de inzameling van goederen voor Rotterdam.

Inmiddels ontvang ik een gelukkig bericht: een telephoon uit Leerbroek: “Luitenant ter Pelkwijk meldt zich!”

Goddank, mijn zoon leeft, is ongedeerd! Ik had mij juist ernstig bezorgd gemaakt, toen ik door ongerustheid van anderen, aan mijn eigen jongen dacht. Het bericht kwam op tijd, want, zoals ik uit bezoeken en vragen begreep, ging in de stad het gerucht, dat hij in den strijd was gebleven.

De Commissaris der Koningin vraagt mij in radio en voor luidsprekers enkele woorden te spreken, het verhaal zou gaan, dat ik zou zijn ingestort. Ik spreek aanstonds enkele krachtige woorden en herhaal dit later, tracht moedelozen een hart onder den riem te steken en doe een warm beroep op eensgezinde medewerking, er bovenal op wijzende, dat wij “Nederlanders” blijven.

In den middag bespreking met vertegenwoordigers van Vakcentralen en hen gewezen op de moeilijkheden, welke te verwachten zijn. Geduld en krachtige woorden waren nodig om enkelen van den ernst van den toestand te doordringen.

Met den Commandant van de Brandweer bespreek ik het brengen van hulp aan Rotterdam, waarover ik onheilspellend nieuws vernam: de stad zou in vlammen opgaan. Besproken wordt, dat een motorspuit zal uitrukken en dat verder een reddingsploeg naar Rotterdam zal vertrekken met opruimingsmaterieel.

Tegen 18:00 uur komt in mijn kamer een Feldwebel, die ten spoedigste kwartier vraagt voor 5.000 man en 1.800 paarden. “Bitte schnell! Wir haben keine Zeit zu warten”.

Het kost even moeite om de ambtenaren, die ik hiervoor nodig heb, bij mij te krijgen, zij waren gedeeltelijk naar huis gegaan. De kamer vulde zich inmiddels met officieren. Ook wordt kwartier bij burgers gevraagd voor 200 officieren. Allen hebben haast.

Duitse soldaten trekken Utrecht binnen via de Potterstraat, ter hoogte van Heck’s Lunchroom

Ik begin met op scholenkaart gebouwen uit te zoeken voor de legering. Inmiddels komt ook de Kommandant van de troepen, een Oberst. Dankzij de hulp van ambtenaren, die ervaring hebben met inkwartiering, komt er lijn in het plan.

De Oberst vraagt voor ligging stroo. Ik weet door onderbrenging van vluchtelingen, dat er geen stroo is en zeg dit. Een opzichter van Gemeentewerken, in overmaat van hulpvaardigheid, deelt mij mede, dat in Wijk bij Duurstede een schip ligt met stroo. Ik antwoord hem, dat ik daar niets aan heb.

Een officier, die de opmerking heeft gehoord en verstaan, zegt den Oberst, dat ik hem niet juist voorlicht over het stroo. De rustige, grijze Kolonel laat zich opeens gelden en beveelt met de vuist op mijn bureau slaande onmiddellijk het stroo te halen, er aan toevoegend dat hij vriendelijk is begonnen, maar bij deze houding maatregelen tegen mij moet nemen.

Het kost mij moeite om duidelijk te maken, dat ik bezwaarlijk het stroo kan laten halen en niet bevoegd ben het in Wijk bij Duurstede te vorderen. De Kolonel geeft zich ten slotte gewonnen.

In de hal van het Stadhuis wachten grote groepen Duitse officieren. Wanneer, zoals ‘s avonds gebruikelijk, de hekken voor de deuren worden gesloten, ontstaat er een ogenblik van verwarring: “Wir sind verraten!” Het kostte moeite hen te kalmeren.

De stad stroomt vol Duitse soldaten en voertuigen, zoals hier op het Domplein

Terwijl de inkwartiering verder wordt voorbereid, krijg ik bericht, dat de staf der Nederlandse troepen ‘s avonds vrijheid van beweging heeft gegeven en ongeveer tegelijkertijd, dat de stad geheel verduisterd moet worden.

De toestand was voor mij een ogenblik wanhopig: het Duitse bezettingsleger trok de stad binnen en moest wachten op kwartieren. Ik herinnerde mij ook nog uit bezoeken van denzelfden dag in welke wanhoopsstemming onze soldaten waren en dan een verduisterde stad!

Ik bel Kolonel Van Voorst op. Hij voelt de moeilijkheid, maar heeft de toestemming al gegeven, kazernes en forten stromen leeg. Teneinde raad vraag ik den Kolonel goed te vinden, dat ik door luidsprekers, namens hem, de soldaten de order geef terug te keren naar hun kazernement. De Kolonel gaat accoord.

Ik spreek enkele malen voor luidsprekers, vriendelijk, maar klemmend. Tot mijn voldoening krijg ik bericht, dat in grote groepen de soldaten doen, wat ik gevraagd heb.

De verduistering van de stad geeft moeilijkheden. Door volle verlichting van den vorigen avond is de burgerij in de mening gekomen, dat niet meer verduisterd behoeft te worden. De leden van de luchtbescherming moeten weer worden opgeroepen. Een nieuwe organisatie moet worden getroffen.

Tegen 22:00 uur verlaat ik het Stadhuis, de zorg voor de inkwartiering van de officieren aan ambtenaren overlatend.

Ik ben doodmoe. Het is een grote vreugde gezin en huis weer te zien in goede orde. Ook vrouw en kinderen hebben veel beleefd.

In de nacht word ik opgeschrikt door sirene. Bel de luchtwacht op, men weet van niets. De volgende dag blijkt, dat de sirene is geweest een brandalarm in De Bilt.

Deze website is mede tot stand gekomen met informatie en beeldmateriaal van Oud-Utrecht en Het Utrecht's Archief.